Selecteer een pagina

Lieve Mariek,

Jij hebt er nooit over geschreven en ik ook niet. Maar ik ga het nu toch doen. En het gaat niet zozeer over wat er gebeurde maar vooral over hoe jij ermee omging.

Op maandag 30 maart 2014 zaten we bij een arts in het ziekenhuis en kregen we de uitslag van de punctie. Wel of geen borstkanker. De arts draaide er niet omheen. Geen borstkanker. Opluchting maakte zich van ons meester. Toch niet waar we bang voor waren. Dus we waren snel klaar. Je zei tegen de dokter dat we gebak gingen halen om het te vieren.

Er was bijna niemand die wist dat we hier zaten. Alleen Cécile, denk ik, die met je mee was geweest naar de echo en punctie. Je wilde niemand belasten met dingen die nog niet zeker waren. Maar nu fietsten we naar je vader en moeder om te vertellen over wat er de laatste week gebeurd was en dat het allemaal goed was. Op de weg erheen haalden we wat gebakjes. Nog in het ziekenhuis had je volgens mij één of meer mensen gebeld (ik weet het niet meer precies) en verteld wat er aan de hand was en dat het goed afgelopen was. Waaronder Cécile natuurlijk.

In de straat bij je vader en moeder werd je gebeld. Onbekend nummer. Je nam niet op. Geen zin in reclamedingen. We kwamen bij je vader en moeder binnen en je vertelde. Schrik en daarna opluchting. Je werd weer gebeld. Nu liep je de kamer uit en nam je op. Je had een voorgevoel, zei je later. Het was de arts. Er was iets vreselijk fout gegaan. Je bleek toch borstkanker te hebben. Of we alsjeblieft weer naar het ziekenhuis wilden komen.

Tja, daar zaten we met onze gebakjes. Er zat niets anders op dan naar het ziekenhuis te gaan. We leenden de auto van je moeder en reden er heen. De afdeling was uitgestorven op één spreekkamer na. Er werd op ons gewacht. Niet alleen wij waren verslagen. De dokter had niet zijn prettigste uurtje. Hij putte zich uit in excuses voor iets dat nooit had mogen gebeuren. Hij was meteen naar het restaurant gerend omdat hij had wist dat we gebak gingen eten, in de hoop ons daar te treffen. Maar daar waren we niet.

Hij vertelde dat er iemand twijfelde aan de resultaten van het onderzoek vorige week en daarom nog een keer had gekeken. En hij werd bevestigd in zijn twijfels. Maar dat was op het moment dat wij in het ziekenhuis waren, of vlak erna. Dus de gecorrigeerde uitslag bereikte de dokter te laat. ‘Ongelukkig’ drukt de situatie niet echt goed uit. Van opluchting naar angst. Want nu je wel borstkanker bleek te hebben, werd de pijn in je rug, die je al een aantal maanden had, ook opeens heel verdacht. Voor je het wist had je weer diverse afspraken in je agenda staan. Weer dat hele circus doorlopen. Het was even teveel om over na te denken.

We reden terug naar je vader en moeder. Stil. Op de parkeerplaats zei je dat je blij was dat de ziekte toch geconstateerd was. Dat er toch nog een keer gekeken was. Want wat was er anders gebeurd? Dan was je er waarschijnlijk een flinke tijd later achtergekomen en misschien wel veel zieker geworden. Dat klinkt een beetje raar natuurlijk want je was evengoed heel ziek en je bent er niet meer, dus hoeveel erger had het kunnen worden? Maar misschien was de tijd die je nog had nog onaangenamer geweest, dat bedoel ik eigenlijk.

We zullen het niet weten. Maar dat het één van de onwerkelijkste middagen in mijn leven was, dat weet ik wel. Alsof ik van een afstandje stond te kijken naar wat er zich voltrok in ons leven. En jij kon er toch een positieve draai aangeven door te zeggen dat het goed was dat het toch ontdekt was. En je had gelijk. We waren ook niet kwaad maar vooral verslagen. De arts zelf kon er niets aan doen, die kreeg de uitslag op zijn bureau. Maar hij was wel degene die ons terug moest halen en het ons moest vertellen. We konden ons wel voorstellen hoe dat geweest moest zijn. Hij was ook echt ontdaan.

En toen moesten wij eigenlijk hetzelfde doen. Mensen die goed nieuws van ons gehoord hadden vertellen dat er geen goed nieuws was.

Dit bleek nog maar het begin. Het echte slechte nieuws over de uitzaaiingen kwam later pas.

Ik mis je zo Mariek. Dikke kus,
Roon.